Raad van State brengt voorlichting uit aan Eerste Kamer over WNT

18-05-2012 12:44

Op 9 mei 2012 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State voorlichting uitgebracht aan de Eerste Kamer over het voorstel van wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Kamerstukken 32 600). Deze voorlichting zou zich met name moeten richten op de gevolgen van de amendementen en de nota's van wijziging voor de consistentie en samenhang van het wetsvoorstel, alsmede voor de rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid ervan. De Eerste Kamer zal de WNT op 5 juni 2012 behandelen en heeft de voorlichting op 11 mei 2012 openbaar gemaakt.

Beoordelingskader
Ook in deze voorlichting schetst de Afdeling advisering vooraf het beoordelingskader voor verzoeken om voorlichting. Dat beoordelingskader bestaat uit drie elementen:

  1. Het onderscheid tussen advies en voorlichting: bij een verzoek om voorlichting gaat het niet om de beoordeling van een (uitgewerkt) voorstel, maar om gerichte vragen die de verzoeker aan de Afdeling advisering voorlegt. Bij de beantwoording kan de Afdeling advisering op de verschillende aspecten van de problematiek ingaan zonder dat, zoals bij een advies, wordt afgesloten met een eindoordeel.
  2. De afbakening ten opzichte van andere instanties en organen: de voorlichting betreft aangelegenheden van wetgeving en bestuur. Dat houdt in dat de Afdeling advisering niet kan ingaan op (rechts)vragen waarvan mag worden aangenomen dat deze binnen afzienbare tijd in concrete zaken aan de rechter zullen worden voorgelegd. Ook kan de Afdeling advisering in het kader van een te geven voorlichting niet treden in taken en verantwoordelijkheden van andere publiekrechtelijke adviesorganen en –colleges. Het zal bij een verzoek om voorlichting dan ook steeds moeten gaan om informatie, kennis of inzicht waarover de Afdeling advisering in het bijzonder geacht kan worden te beschikken vanwege de plaats en functie van de Raad van State binnen het staatsbestel.
  3. De ordening van het wetgevingsproces: door middel van voorlichting mag de Afdeling advisering niet zodanig bij de voorbereiding van een wetsvoorstel worden betrokken dat zij daarover niet meer onbevangen kan adviseren op het moment dat dit wetsvoorstel ingevolge de Grondwet aan haar wordt voorgelegd. Ook ligt het niet in de rede in een voorlichting terug te komen op een eerder door de Afdeling advisering uitgebracht advies over een wetsvoorstel, of de reactie hierop in het nader rapport. Verder past de Afdeling advisering terughoudendheid om naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aanvaard wetsvoorstel te oordelen over de strekking en de opportuniteit van beslissingen die door de regering of de Tweede Kamer zijn genomen in het kader van de behandeling van dat wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Dit uitgangspunt betekent dat de Afdeling advisering zich in een voorlichting aan de Eerste Kamer met name zal richten op kernvragen van wetgeving en bestuur, waarbij in het bijzonder aandacht wordt gegeven aan overwegingen van constitutionele aard.

Uitbreiding reikwijdte wetsvoorstel
Ten aanzien van dit verzoek van de Eerste Kamer om voorlichting stelt de Afdeling advisering vast dat de wijzigingen nadere nuanceringen en aanscherpingen bevatten van de beloningsvoorschriften, alsmede wijzigingen en uitbreidingen van de personen en organisaties waarvoor de voorschriften van het voorstel zullen gaan gelden. De reikwijdte van het wetsvoorstel wordt daardoor verder uitgebreid. Voor de beoordeling van de wijzigingen verwijst de Afdeling advisering dan ook naar het destijds bij dat voorstel zelf gegeven advies. In aanvulling daarop merkt de Afdeling advisering in de voorlichting op dat het voorstel zich door de wijzigingen meer en indringender dan in de oorspronkelijk opzet het geval was, gaat uitstrekken over organisaties in de private sector. De spanning – waarop de Raad van State in zijn advies bij het voorstel reeds heeft gewezen – tussen de reikwijdte van het voorstel en de suggestie in het opschrift en de considerans dat het voorstel alleen zou zien op organisaties in publieke en semi-publieke sectoren, is met deze uitbreidingen verder toegenomen. Het betreft in het bijzonder de uitbreiding met de zogenoemde algemeen nut beogende instellingen (anbi's), en met de rechtspersonen waarbij subsidies meer dan 50% van de inkomsten uitmaken. Verder gaat het om de verdergaande normen voor zorgverzekeraars en zorgverleners. De Afdeling advisering merkt ten overvloede op dat dit geen organisaties in publieke of semi-publieke sectoren zijn.

Het gevolg hiervan is dat een aantal knelpunten, zoals die rond de afbakening, waar in het advies bij het voorstel al op is ingegaan, alsook vraagstukken rond de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het voorstel, op bredere schaal zullen kunnen gaan spelen.

Inmenging in eigendom
De Afdeling advisering wijst in dit verband verder op de problematiek inzake inmenging in eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die problematiek is bij dit wetsvoorstel van meet af aan onderkend. Door de verdere uitbreiding van de reikwijdte van het wetsvoorstel naar de private sector, en door de verkorting van overgangstermijnen als gevolg van het amendement van Heijnen, kan er echter aanleiding zijn om aan deze problematiek opnieuw aandacht te besteden.

Lees hier de volledige tekst van de voorlichting.

Lees hier de brief van de VTW aan de Eerste Kamer.


Veel gezocht